WAAROM HET LICHAAM BETREKKEN IN PSYCHOTHERAPIE, (20 okt. ’20)
Daniel Siegel stelt de metaforen ‘Bouwer’ en ‘Stroom’ voor…
‘De Bouwer’ is ons dagdagelijks meest gebezigde, ons redelijke denken. Ikzelf noem dit ook ons ‘ordenend vermogen’, ons vermogen om onze persoonlijke realiteit op een redelijke manier te beschouwen, logische verbanden of verklaringen te zien, en persoonlijke narratieven of verhalen te ontwikkelen.
‘De Stroom’, of vollediger, de ‘ervaringsstroom’, dat zijn vooral onze al dan niet bewuste fysieke gewaarwordingen (affecten), en onze associaties, zoals metaforische beelden. Zaken dus die in belangrijke mate mee onze beleving en ervaring uitmaken, maar die niet luisteren naar, noch (helemaal) te bevatten zijn met, onze redelijk ordenende geest (Waarom bij iets wat iemand vertelt een bepaald metaforisch beeld opkomt bijvoorbeeld is een vraag die niet kan worden beantwoord. We ervaren dit als iets wat zonder meer gebeurt).
Gevoelens, of emoties, zegt Verhaeghe, zijn niet alleen maar psychologische ervaringen, maar kunnen we omschrijven als de bewuste en benoembare ervaring van onderliggende lichamelijke processen, van ‘affecten’ dus. Capteren wat er in onze belevingswereld aan de hand is, en voeling met wat goed voor me is, is bewust zijn van onze emoties, én van de gewaarwordingen die daar bij horen. Het is een voorwaarde tot zelfzorg, en het opent het menselijke, op taal gebaseerde, bewustzijn dat de mogelijkheid biedt tot afstand nemen en reflectie.
De ervaringsstroom laat zich sowieso, door niemand, volledig in woorden vatten, begrijpen of verklaren. Uitdrukkelijker zien we dit wanneer ontwikkelde vermogens op dat vlak beperkt zijn (de woorden bij en de voeling met wat we ervaren kunnen ons heel vroeg in het leven enkel door ‘de ander’ aangereikt worden).
PTSS is de vaak langdurige impact van overweldigende en extreem verwarrende omstandigheden (Denk aan de zegswijze ‘hier zijn geen woorden voor’), die niet te bevatten waren, en zo onveilig waren dat ze een ‘hoge fysieke arousal’, dan wel ‘numbing’ uitlokten, of beide. Dit soort ervaringen kan resulteren in ‘lichaamsherinneringen’, blijvend aanwezige affecten dus waar iemand geen doorvoeld narratief bij heeft. Iemand valt daar dan vaak van moment tot moment mee samen, of ontwikkelt dan een soort be-/afscherming voor de potentieel bedreigend aanvoelende affecten, bijvoorbeeld rationalisatie of ontkenning, middelenmisbruik…
Onze persoonlijke verklaringen voor wat we ervaren ontleenden we vroeger aan religie en filosofie, nu vaker aan de wetenschap. Zulke persoonlijke verklaringen impliceren echter onvermijdelijk een zekere mate van zelfbedrog, en zij helpen ons niet om het lichaam te reguleren (bij ‘stress’ tot rust brengen, dan wel, bij ‘numbing’, activeren). Ook het idee dat de juiste kennis automatisch betere zelfzorg oplevert, blijkt lang niet altijd te kloppen.
Therapie werkt vaak precies naar zulke top-down-kennis toe – uitdrukkelijk bijvoorbeeld bij psycho-educatie’ – maar riskeert tegen haar grenzen aan te botsen waar zij de ervaringsstroom, de affecten, niet mee aanspreekt…
Verhaeghe heeft het dus over de voeling met wat in het lichaam leeft, noodzakelijk om te komen tot zelfzorg, en tot het op taal gebaseerde bewustzijn dat de mogelijkheid biedt tot afstand nemen en reflectie. Wie dit soort ‘voeling’ niet heeft, zegt hij, blijkt sneller ziek te worden.’ ‘Bij langdurige en heel uitgesproken affecten – een toestand die we ‘chronische stress’ kunnen noemen – zien we symptomen als hartkloppingen, beven, misselijkheid, ademnood, duizeligheid, en inslaapproblemen bij angst/vermoeidheid, doorslaapstoornissen en pijnklachten bij depressie.’ (Paul Verhaeghe).In de zorgzame relationele afstemming die therapie per definitie moet zijn, dient de veiligheid gecreëerd te worden waarbinnen iemand voeling kan – en durft te – krijgen met zijn, of haar, affecten, zonder er mee te gaan samenvallen (‘ontmenging’ / Janina Fisher).
Stephen Gilligan verwijst naar de beschreven uitgesproken affecten met de benoeming ‘het verwaarloosde zelf’, en zoekt wegen om het ‘cognitieve zelf’ – het volwassen ik – weer doorvoeld connectie te laten maken met dit ‘verwaarloosde zelf’.
Schwarz (Intra-familial systems therapy) doelt op hetzelfde wanneer hij stelt dat de ‘getraumatiseerde delen’, of ‘bannelingen’, die regelmatig bevroren lijken te blijven zitten in het verleden, zorg moeten gaan ontvangen van het volwassen ‘ik’, in connectie met het ‘zelf’ (iemands unieke eigenheid).
Vanuit deze balans – voeling zonder samen te vallen – kunnen we de eigen affecten gewaarworden, er bij stilstaan, er betekenis aan geven, er woorden voor vinden…. Ook kan iemand dan leren…
- … om, bij vermenging, de affecten te gaan reguleren, het lichaam weer tot rust te brengen, en zich weer veilig te gaan voelen (ademhaling, awareness – zoals bij meditatie, trillen…).
- … om, in geval van ‘collapse’ of ‘instorting’ (dissociatief), het lichaam weer geactiveerd te doen raken, en zichzelf weer in het ‘hier en nu’ te ervaren.