VOORBEREIDING INTEGRATIEAVOND NOV. EN DEC. ‘21
SENSORI-MOTORISCHE THERAPIE (PAT OGDEN)
Zonder dat we hier bewust mee bezig moeten zijn, schat ons autonome zenuwstelsel voortdurend onze hier-en-nu-omgeving in als ‘veilig’ of ‘onveilig’. De informatie hiervoor haalt het autonome zenuwstelsel uit twee informatiebronnen: onze zintuigen, en de toestand waarin ons lichaam zich reeds bevindt (veilig, gemobiliseerd, geïmmobiliseerd).
(Check even in lichaam: voel je behagen of onbehagen. ‘Behagen’ wijst op autonoom-neurologische inschatting van de omstandigheden als veilig; onbehagen duidt op ervaren onveiligheid).
Aan de hand van de informatie vanuit deze twee informatiebronnen vormen we ons van moment tot moment een eerste somato-sensorisch ‘beeld’ van onze ad-hoc-realiteit.
Dit eerste ‘beeld’ wordt onmiddellijk – eveneens onbewust – getoetst aan een soort ‘kaart’ van de werkelijkheid, die is gesitueerd in het zoogdierenbrein: deze ‘kaart’ is tot stand gekomen doorheen de ontwikkeling van de soorten – wat deze oude zelfbeschermingsreflexen betreft zijn we allemaal gelijk – alsook doorheen onze persoonlijke levenservaring, die uiteraard verschilt van persoon tot persoon. Het is bij de toetsing van ons zintuiglijk beeld van onze omstandigheden aan deze kaart dat ons autonoom zenuwstelsel uitmaakt of deze veilig of onveilig zijn.
Op basis hiervan organiseren we, onbewust, een in de eerste plaats automatische lichamelijke respons op de binnenkomende prikkel: zelfbescherming of vermijding van gevaar, of de neiging ertoe (bij mensen: zich verdedigen, de rug toekeren…), dan wel toenadering, of de neiging om richting bron van de prikkel te gaan (bij mensen: naderen voor meer samenwerking, intimiteit en zorg).
(LLinas)
We hebben het hier dus over automatische of niet bewust gestuurde, reacties, gereguleerd door ons autonome zenuwstelsel, dat als belangrijke functie heeft overleving mogelijk te maken. Deze vermogens delen we met andere diersoorten.
(Sophie: ervaren van autonome toestanden van ‘veiligheid’ en ‘mobilisatie’)
De vermogens die we aan onze ‘hogere’, fylogenetisch recentere, hersencentra, ontlenen daarentegen – observeren, weten, voorspellen – zijn typisch menselijk. Zij hebben de functie om onze automatische responsen, zoals de neiging aan te vallen wanneer we boos zijn, in voldoende mate af te remmen en bij te stellen, teneinde onze relaties veilig te stellen.
Uit hersenbeeldvormingsonderzoek blijkt dat bij getraumatiseerde mensen automatische zelfbeschermingsreacties sneller geactiveerd worden, en dat hogere hersengebieden, betrokken bij het maken van plannen, bij het voorzien van consequenties van eigen handelen, tijdens stress net minder actief worden. Zij komen hierdoor veel makkelijker weer in een autonoom neurologische toestand terecht, vergelijkbaar met degene die werd uitgelokt door de traumatiserende ervaring.
Vervolg: integratieavond december
Hoe dit laatste te begrijpen?
Het is een volstrekt natuurlijke – eveneens automatische – neiging om ons te proberen afschermen voor onze lichaams- en emotionele ervaring bij overdonderende ervaringen (in extremis trauma). Tegelijkertijd creëert dit echter de omstandigheden waarbinnen zich ‘lichaamsherinneringen’ vormen, traumatische herinneringen dus in de vorm van intrusieve affecten en lichaamssensaties.Deze op zich gaan dan verderop vaak werken als gevaarsignalen, als dat andere soort herinneringen (lichaams-) die gemakkelijk ‘getriggerd’ kunnen worden, zelfs op rustige momenten, waardoor iemand zichzelf weer onbewust gaat afschermen voor het voelen/ervaren wat er met hem/haar gebeurt.
Als iemand zich echter, al dan niet met therapeutische hulp, weer op het lichaam kan gaan richten met een aandachtig, niet oordelend, bewustzijn van de zintuiglijke ervaring in het hier en nu, kan hij daar de bedoelde werking van het autonoom zenuwstelsel herkennen, de automatische reacties dus op ervaren veiligheid (neiging tot toenadering) of onveiligheid (neiging tot vechten, vluchten, of tot klaarmaken om te incasseren – freeze – dan wel instorten). Via die weg krijgt iemand dan weer directe toegang tot de geactiveerde toestanden die hij tevoren uit de weg ging, en wordt verwerking en heling mogelijk.
Evident is dit echter niet: Damasio bijvoorbeeld stelt dat onze mentale beeldvorming de dagdagelijkse realiteit van het lichaam sowieso maskeert, bij iedereen. Joseph Ledoux toonde aan dat de dorsolaterale prefrontale cortex (het centrale gebied voor inzicht, begrip en toekomstplanning) sowieso bijna geen verbindingen heeft om het functioneren van het emotionele brein te beïnvloeden. Toch biedt precies deze weg belangrijke mogelijkheden…
In therapie
Lichaamsherinneringen kunnen dus, zoals gezegd, snel getriggerd worden, en dit uiteraard ook in therapie. Heel belangrijk wordt hier om de arousal binnen de ‘window of tolerance’ te houden. Zo niet voelen mensen zich op die momenten telkens weer overgeleverd, én er gebeurt geen zinvolle verwerking.
– Het contact maken met het lichaam in therapie dient daarom gedoseerd en getemporiseerd te gebeuren. Door de automatische en gebruikelijke respons, waar nodig, te onderbreken, verloopt het proces trager en laat het zich beter observeren.
Verder dienen somatische hulpmiddelen te worden ontwikkeld voor stabilisatie: de therapeut blijft dus op elk moment alert voor tekenen van hypo- of hyperarousal. Een terugkeer binnen de ‘window of tolerance’ wordt dan onmiddellijk de prioriteit.
(Verderop is het uiteraard de bedoeling dat cliënten zelf ongemakkelijke sensaties leren herkennen die het begin van gedisreguleerde arousal aankondigen, en dat zij vaardigheden ontwikkelen om de hyper-arousal zich niet verder te laten opbouwen, of om uit een toestand van hypo-arousal te komen.)