INTEGRATIEAVOND 22 JULI ‘21

Chronische stress en PTSS

PTSS is de vaak langdurige impact van overweldigende en extreem verwarrende omstandigheden die als zo onveilig worden ervaren dat ze een ‘hoge fysieke arousal’ (de gemobiliseerde toestand), én vaak ‘numbing’ (wazigheid / verdoving) uitlokten.
Op het moment zelf van traumatiserende ervaringen, acute zowel als chronische traumatisering, stelt Gabor Maté, gaat iemand zich vaak afsluiten voor de ervaring, omdat het te pijnlijk zou zijn om dat niet te doen. Dit is op zich een adaptieve reactie, die er echter toe kan leiden dat de lichamelijke ervaring niet meer wordt betrokken bij het geestelijk ervaren (des-integratie). De ervaring wordt dan niet meer tot het bewuste toegelaten.

Terwijl de persoon in kwestie voor deze ervaring dan geen doorvoeld narratief heeft, kan het lichaam van zijn kant de manier waarop het reageerde op de ervaren bedreiging vasthouden als gewaarwordingen van zwaarte, gespannenheid of contractie, druk, onrust… Verhaeghe noemt deze lichamelijke sensaties ‘affecten’. Dit wordt ook een toestand van ‘chronische stress’ genoemd.
Opmerkelijk is dat deze toestand van chronische stress kenmerkend is voor heel uiteenlopende psychologische/psychiatrische diagnoses. De diagnoses op zich echter helpen ons niet, zegt Stephen Porges, om hoogte te krijgen van iemands fysiologische toestand.

Net zoals iemand zich ging afschermen voor de oorspronkelijke ervaring, gaat die dat vaak ook doen voor de eveneens bedreigend aanvoelende affecten, bijvoorbeeld a.h.v. rationalisatie of ontkenning, middelenmisbruik… Deze onderdrukking vraagt een enorme hoeveelheid energie.
Hiermee gepaard gaande gevolgen zijn dat iemand…

  • … niet weet hoe met emoties om te gaan (omdat er geen ‘verhaal’ bij de affecten is)
  • … in relaties onmiddellijk terugdeinst omdat hij niet weet hoe met emoties om te gaan.
  • … zijn emoties niet volgt.

Dit gaat tegelijkertijd gepaard met, zeker bij kinderen, een daadwerkelijke andere ontwikkeling van de hersenen, meer specifiek van de prefrontale cortex, het deel van de hersenen dat instaat voor zelfregulatie en het hanteren van stress, voor het interageren, voor empathie.

Vaak zelfs heel bescheiden, zintuiglijke overeenkomsten van iemands omstandigheden met een doorgemaakt trauma kunnen dan het emotionele brein activeren om vertrouwde beschermingsmiddelen in te zetten, terwijl de hogere hersenfuncties, die toelaten enige afstand tegenover ervaring mogelijk te maken en het gedrag te sturen, bij stress net minder beschikbaar worden. Hierdoor zijn deze mensen sowieso minder in staat om via inzicht en begrip te voorkomen dat ze zich vaak voelen en gedragen alsof ze opnieuw een trauma meemaken. Een ander gevolg op het niveau van de hersenen is dat, door de verminderde werking van de mediale prefrontale cortex, iemands persoonlijke mogelijkheden tot introspectie of aandacht voor de inwendige toestand van het organisme gereduceerd worden: getraumatiseerde mensen kunnen doorgaans heel moeilijk inwendige sensaties en percepties waarnemen, ofwel komen ze juist bij overweldigende, traumagerelateerde percepties, sensaties en emoties.
Resultaat is een gedragsmatige regressie: mensen vallen terug op starre, vaste handelingspatronen die behoren tot onze evolutionaire erfenis voor de omgang met dreiging (vechten, vluchten, bevriezen), of die overeenkomen met individuele impliciete herinneringen aan de manier waarop het lichaam ooit probeerde te reageren op de dreiging van overweldiging.

Toch zijn het precies deze bij PTSS minder beschikbare hersencentra die in therapie op een zorgzame manier dienen te worden aangesproken: mensen moeten weer nieuwsgierig kunnen worden naar hun innerlijke ervaring; ze moeten leren dat het veilig is om gevoelens en sensaties te ervaren, en dat deze voortdurend in beweging zijn. De gevoelens kunnen er dan weer bij gaan horen: gevoelens, of emoties, zegt Verhaeghe, zijn niet alleen maar psychologische ervaringen, maar kunnen we omschrijven als de bewuste en benoembare ervaring van onderliggende lichamelijke processen, van ‘affecten’ dus.
Pas dan kunnen mensen leren ook weer zeggenschap over de eigen gevoels- en ervaringswereld te krijgen, en wegen vinden om weer een veilige autonome toestand te bereiken.
Als iemand de pijn, de kwetsuur, onder ogen kan gaan zien, en zijn trauma’s verwerkt, en voor zichzelf compassie kan gaan opbrengen, kan hij ‘zichzelf’ worden. Iemand dient m.a.w. weer op zoek te gaan naar de gezonde persoon die hij voorbij zijn trauma’s is, naar de gezonde persoon die wellicht nooit tot expressie kwam. Dit gebeurt, aldus Schwartz, door connectie te maken met de betreffende ervaringen vanuit de eigen authentieke kern. Deze kern wordt nooit vernietigd.