DE POLYVAGAALTHEORIE IN THERAPIE (Deb Dana)
De omgeving waarin de zoogdieren zich ontwikkelden hield vele risico’s in. Overleving werd afhankelijk van het vermogen om de activering van de fylogenetisch oudere verdedigingssystemen te temperen met behulp van ervaringstoestanden van veiligheid, vertrouwen en coöperatie. Het is het autonome zenuwstelsel dat dit mogelijk maakt: nog vooraleer het brein betekenis toedicht, heeft dit neurologisch subsysteem de veiligheid of onveiligheid van de omgeving, van de signalen uit onze binnenwereld (organen), en van wat er in relatie met anderen gebeurt, ingeschat (neuroceptie) én een reactie in gang gezet op signalen die veiligheid betekenen, en die aangeven dat verbinding kan worden aangegaan, dan wel op signalen die onveiligheid betekenen, en dat verbinding dient te worden verbroken.
Dit spreekt ook uit onze taal: als we zeggen dat iets een schok voor ons is, of dat iets ons raakt, hebben we het eigenlijk over onze autonome respons. Andere voorbeelden: onze nek uitsteken, kop op, benauwd, koken van woede… Dit blijven in onze beleving niet enkel hier-en-nu-reacties. Gaandeweg worden al deze momentane reacties een wezenlijk deel van ons zelfbewustzijn en zelfgevoel.
Het autonome zenuwstelsel reageert op opgevangen signalen door één, soms twee, van drie autonoom-neurologische subsystemen te activeren: dit zijn de dorsale vagus (die bescherming uitlokt, resulterend in immobilisatie), het sympathische zenuwstelsel (bescherming, resulterend in mobilisatie), en de ventrale vagus (die sociale betrokkenheid, verbinding en coöperatie ondersteunt). Deze autonome responsen zijn voortdurend aanwezig. Al zijn we ons niet op elk moment bewust van deze automatische reacties, we kunnen onze aandacht daar wel op richten endeze ervaren in ons lichaam.
Van belang is dus zowel de ontwikkeling van de soort (bv reacties op geluid) als de persoonlijke levenservaring. Dit laatste begint al bij de geboorte: als het goed zit, creëren moeder en kind vanuit dat aangeboren vermogen een gedeelde fysiologische en psychische toestand (zie het ‘still face experiment’). Hier is het dat we beginnen te leren ‘wat nodig is om samen met anderen onze autonome toestanden op elkaar af te stemmen, en ons te verbinden’. Onvermijdelijk zijn ook momenten van gebrek aan afstemming, momenten dus die noodzaken tot bescherming. Als die momenten worden hersteld, betekent dat op zich geen probleem.
Waar er echter sprake is van blijvend gebrek aan passende afstemming, waar veilige anderen niet beschikbaar zijn, schakelt iemand vaak over op zelfregulatie (vermijden van verbinding en zelfbescherming o.b.v. sympathische en dorsaal vagale systemen). Bij veel cliënten is de neuroceptie als gevolg hiervan niet goed afgestemd: zelfs in veilige omstandigheden lukt het hen niet om hun verdedigingssystemen af te remmen, of ze slagen er integendeel in een risicovolle omgeving niet in om hun verdedigingssystemen te activeren. Waar dit gebeurt, kunnen latere ervaringen geleerde geneigdheden tot bescherming gelukkig nog omvormen.
Basis van therapie wordt dan wat het autonome zenuwstelsel op elk moment nodig heeft om richting ventraal-vagale veiligheid en verbondenheid te kunnen gaan. Wanneer afstemming in therapie (en gaandeweg ook in toenemende mate elders) doorgaans gaat lukken, kunnen iemands neurale aannames – bv ‘mensen zullen je altijd kwetsen!’ – zich gaandeweg wijzigen, waardoor ook het oude verhaal niet meer gaat passen. Ook op narratief vlak komt er dan ruimte voor verandering. Een eerste stap is bewustwording van eigen autonome responsen: de neuroceptieve automatische reacties worden waargenomen (perceptie), wat maakt dat iemand niet zonder meer met zijn neuroceptieve ervaringen samenvalt.
