IK, DE ANDER, EN HET LICHAAM (Paul Verhaeghe) – wo 18 mei ‘22
De nadruk op het individu…
Veel zaken, zoals het in staat zijn om te ervaren wat er in het lichaam gebeurt, of het al dan niet bezitten van vermogens tot zelfbeheersing en zelfregulatie, veerkracht, worden doorgaans vanzelfsprekend als eigenschappen van het individu begrepen. Dit is een misvatting: wie wij zijn en hoe we onszelf gedragen en ervaren dient begrepen te worden ‘in relatie tot…’: onze identiteit komt tot ontwikkeling op grond van voortdurende interacties met anderen (in eerste instantie doorgaans de ouders) doorheen de tijd, en op grond van de beïnvloeding door ‘de Ander’ (de socio-culturele omgeving)… Vandaag gaan we enkel in op interactie met anderen.
Identiteitsvorming via anderen
Als baby zijn we overgeleverd aan alle sensaties die we ervaren. We zijn dan a.h.w. ons lichaam. De eerste spiegel waar we in kijken zijn doorgaans de ogen van onze moeder (of de andere ouder, een grootouder, een kinderverzorgster), die onze gevoelsbewegingen nadoet, monitort, benoemt. Hierdoor worden we rustig. (Het spiegelstadium)
Wat er op heel jonge leeftijd niet is, maar gaandeweg wel komt, is dat anderen verwachtingen hebben. We willen graag gezien worden, en schrijven de ander een oordeel toe, waarna we voortdurend pogingen ondernemen om dat oordeel gunstiger te laten uitvallen. Hierdoor wordt, en blijft, onze blik op onszelf altijd keurend, evaluerend, corrigerend, dienstig aan andermans criteria.
Als dit allemaal goed loopt, leert het kind in de loop van dit relationeel proces bewust ervaren wat er in zijn/haar lichaam gebeurt, en welke gevoelsbewegingen er opborrelen. Houdt de ouder het kind echter een verkeerd, of negatief, beeld voor van wat het beroert, dan ontwikkelt het kind zich ook zelf een verkeerd beeld van zijn/haar emoties en van zichzelf, en leert het niet wat het moet aanvangen met de signalen die zijn/haar lichaam geeft.
Iemand riskeert ook later nog steeds nauwelijks weet te hebben van, noch woorden te hebben voor, de eigen emoties en bijbehorende ervaringen in het lichaam. Ze zijn er, maar ze worden zelden bewust, en/of ze kunnen niet worden geuit, of ze hebben aangeleerde negatieve connotaties. Dit maakt uiteraard dat iemand last heeft met emoties, maar blijkt ook aanzienlijk de kans op ziekte te verhogen.